De Dwarsfluit

complete ontwikkeling en bijzondere types

Een deel van het midden van een moderne dwarsfluit.
Een deel van het midden van een moderne dwarsfluit.

HOOFDSTUK TWEE: DE EERSTE DWARSFLUITEN - VAN DE OERTIJD TOT DE MIDDELEEUWEN

De dwarsfluit (...) is de fluit, die heden ten dage de grootste verbreiding heeft gevonden. Toch schijnt van de fluitenfamilie dit type het laatst te zijn ontstaan. De dwarsfluit was in het Egypte van de farao´s en het Amerika van vóór Columbus onbekend. Men neemt aan, dat zij, evenals het wiel, door de nomaden van Centraal-Azië uitgedacht is 1.
De fluit was in Egypte wél bekend (zie inleiding), maar waarschijnlijk deelt Meylan de Egyptische versie niet in onder dezelfde noemer, vanwege de genoemde andere manier van aanblazen.

De oertijd

Overleveringen uit Azië
In de 9e eeuw v.Chr. wordt een fluit genoemd in Chinese poëzie. Het teken daarvoor, tschï, hoeft niet per se dwarsfluit te betekenen. In de 3e eeuw n.Chr. wordt in een eveneens Chinese bron tschï met zekerheid voor dwarsfluit gebruikt. In deze bron wordt vastgesteld dat dit type fluit in China bekend was aan het begin van onze jaartelling en dat het teken tschï al duizend jaar voor onze (christelijke) jaartelling werd gebruikt. Of deze term altijd dezelfde betekenis heeft gehad, is niet bekend.

In een streek in China (vroeger Turan) spelen, in een grot, goden – blank en gekleurd – op verschillende fluiten, waaronder de dwarsfluit, die naar links wordt gehouden.

Ook in India bestaat de dwarsfluit al lang. Op de reliëfs van een grafmonument uit de 1e eeuw n.Chr. staan afbeeldingen van het instrument. De fluit wordt ook hier naar links gehouden.

De reliëfs op de Boroboudour op het Indonesische eiland Java tonen een ingetogen fluitiste met de fluit naar rechts temidden van andere musici.

In de Aziatische overleveringen komt de fluit meestal in ensemblespel voor. De belangrijkste functie van de fluit was een bescheiden aandeel in de samenklank, blijkbaar als symbool van geestelijk leven en vrede.

Fluiten uit de prehistorie?
In De Fluit wordt gesproken over fluiten van been en buizen van opgegraven fluiten. Deze wijzen erop dat mensen in de prehistorie verschillende mogelijkheden kenden om een fluit aan te blazen. Dit leidde tot het ontstaan van verschillende soorten fluiten. Maar ook komt het voor, dat bij één fluit verschillende blaasmanieren succesvol zijn. De auteur toont dat aan door middel van een experiment dat is gebaseerd op een gevonden benen fluit. Van deze vondst is niet zeker wanneer het gemaakt is: 8000 v.Chr. of 1000 n.Chr. De datering is nogal lastig, omdat veel instrumenten opgegraven zijn in een tijd, waarin nog geen aandacht werd besteed aan verschillende aardlagen. Wél is vastgesteld dat het een origineel is en geen replica, die rond 1900 bij opgravingen vaak verkocht werden aan toeristen. Voor dit experiment, zie: De Fluit, p.18 t/m 20 (verdere gegevens in de bibliografie).

In 1936 heeft men in Noord–Irak, in Tepe Gawra, meerdere benen fluiten opgegraven uit de 30e en 40e eeuw v.Chr. Eén daarvan zou heel goed een dwarsfluit kunnen zijn. Het instrument heeft zes gaten en is aan het einde afgesloten.

Verder zijn er nog ca. 100 Europese fluiten die van beenderen zijn gemaakt. Ook deze zijn moeilijk te dateren, maar een deel ervan zou best uit de prehistorie kunnen stammen.

Anne–Christine Brade stelde in haar proefschrift vast dat de benen instrumenten overdreven vroeg worden gedateerd2. Het hangt van nieuwe dateermethoden en opgravingen/vondsten af of er vergeleken en (beter) geordend kan worden, waardoor een preciezere datering ontstaat. De stratigrafie (de leer van het ontstaan en veranderen van de aardlagen) kan ook een steentje bijdragen.

Door hetzelfde proefschrift is duidelijk geworden dat men benen fluiten altijd aan de dichtstbijzijnde kant heeft aangeblazen, ongeacht de tijd van ontstaan. Volgens Meylan wil dit "niets anders zeggen dan dat de benen fluiten een getuigenis afleggen van een cultureel aspect, dat sinds de steentijd aanwezig was." Een benen fluit kan namelijk ook heel goed van de distale zijde (distaal: van de oorsprong, van het aanhechtingspunt, van het midden verwijderd) tot klinken worden gebracht. Maar dat heeft men nooit gedaan. Een scheenbeenbot is altijd aan de kniezijde aangeblazen, nooit aan de kant van de voet. Men kan dus zeggen dat de blaasrichting altijd overeen kwam met de stroom van het verse bloed. "Als het van belang was, de levensstroom van het dode dier waar het bot aan had toebehoord, te ontzien, dan is het te begrijpen dat de toon die aan een benen fluit ontlokt werd, de macht werd toegeschreven, het betreffende dier weer te doen herleven." – aldus Meylan. Hij concludeert hieruit "dat, op z´n minst sinds de steentijd, het fluitspel een geestelijk gebeuren was en niet slechts een signaal."



De klassieke oudheid


In het oude Griekenland en in het Romeinse rijk bestonden wel blaasinstrumenten, maar dat waren geen dwarsfluiten. Vandaar dat we nu een grote sprong maken van de oertijd naar de middeleeuwen.

De middeleeuwen

Jachtfluiten
Jachtfluiten werden tot in de middeleeuwen gebruikt. Er is een exemplaar gedateerd uit het eerste kwart van de 13e eeuw. De vindplaats had blijkbaar allerlei voorwerpen die duidden op jachttradities, ondanks het feit dat het 25 kilometer van een Romeins garnizoen gelegen was. Mediëvisten vinden dit overigens niet vreemd. Omdat de jachtfluiten soms zo goed als de plaats innamen van de kunstinstrumenten, mogen ze niet ongenoemd blijven.
Byzantijnse afbeeldingen
De eerste middeleeuwse afbeeldingen van de dwarsfluit zijn te vinden bij de christenen uit het oosten; op ivoren voorwerpen, miniaturen op perkament en op fresco´s uit onder andere de 10e eeuw.

Blaasinstrumenten schijnen altijd al eigen te zijn geweest aan pastorale muziek (muziek die betrekking heeft op herders en het landleven; landelijke muziek). Vergilius schreef bijvoorbeeld al:

Pan, die de schapen en herders beschermt, kwam op de gedachte, meerdere buisjes van riet met was samen te voegen.
Ook blijkt uit afbeeldingen dat de fluitspeler een vast "bestanddeel" is van het Byzantijnse theatergebeuren. Deze speelt vaak samen met bepaalde instrumenten en houdt zijn fluit naar links, zoals vaak te zien is op plaatjes. Wel komt de naar rechts gehouden fluit voor in een zeer oud natuurkundemanuscript (Physiologus) uit Phoeca of Smyrna. Dit is echter een zeer ver van de realiteit staande scène, die mede daardoor niet geschikt is om erachter te komen wat de gewoonte was onder Byzantijnse fluitisten: de fluit naar links houden, naar rechts of was beide gangbaar? Een miniatuur uit de 11e eeuw toont een fluit die naar rechts wijst. Een beeldje bevestigt het voorkomen van de naar links gehouden dwarsfluit rond 1100 in Midden–Europa.
Westerse afbeeldingen
In de westerse, christelijke schilderkunst komen afbeeldingen van de fluit voor vanaf de 12e eeuw. Eén daarvan is een miniatuur uit een psalterboek, dat nu als één van de weinigen (zo niet de enige) in Nederland ligt en wel in Leiden. In De Fluit worden er zeven genoemd van de 12e tot en met de 14e eeuw. Slechts één daarvan toont een naar rechts gehouden fluit, de rest wijst naar links. De schilders steunen op hun omgeving, als het gaat om de speelhouding. Dit wijst er dus op, dat men in de middeleeuwen de voorkeur had om de fluit naar links te bespelen. Spelers uit de oudheid speelden al naar rechts, terwijl men in Azië in de 1e eeuw alleen in India en Centraal–Azië de fluit naar links hield. Men zou kunnen stellen dat de dwarsfluiten in het westen, na een kleine bloeiperiode in de oertijd en in de klassieke oudheid, in onbruik zijn geraakt en dat ze door de Byzantijnen weer zijn ingevoerd aan het begin van de 10e eeuw. Echter de eerste westerse voorstellingen zijn verre van waarheidsgetrouw, als men kijkt naar hoe de spelers musiceren.
Afbeeldingen die wél waarheidsgetrouw zijn (handschriften van de "Cantigas", nu in Madrid), laten de spelers meestal paarsgewijs zien; met hoofddeksels waaraan men joden, Arabieren en monniken kan herkennen. Ze tonen fluitisten die lijken te stemmen – ze maken zich misschien wel op voor de te spelen "Cantiga". Dit zijn allemaal slechts enkele voorbeelden.
Het woord "fluit"
Een opsomming van wanneer en waar de term voor het eerst werd gesignaleerd.
  • In de middeleeuwen werd één algemene naam gebruikt voor hoge blaasinstrumenten, die ook de dwarsfluit behelsde: "fistula" en "pipa" in het Latijn en in het Oudhoogduits "swegel" en "pfife". Deze groep stond tegenover de hoorns en trompetten.
  • In de 12e eeuw komen de eerste vormen van het woord "flûte" in het Frans voor. Al snel daarna werden ze bijna fonetisch in naburige talen overgenomen. Het woord schijnt af te stammen van het Latijnse "flatus" (adem) dat van oorsprong een onomatopee is.
  • Aan het begin van de 13e eeuw werd de "flaute" vermeld, samen met andere blaasinstrumenten. Het woord "flaute" of "flahute" omvat hier zowel de blokfluit als de dwarsfluit. Het verschil in benaming van deze twee fluitsoorten ontstond in de 13e eeuw.
Hieronder volgt een kort overzicht van wanneer welke namen voor het eerst voorkwamen in talen die het meest verbonden zijn met de Westerse muziekgeschiedenis. Het gaat om woorden voor "fluit" en "fluitist". De data zijn die van geschriften, waarvan ik titels en auteurs hier weglaat.
  • Oudfrans: "flautes", "flöutet", "flaüste", "flahute": 1165, 1170
  • Middelhoogduits: "floite", "vloiten", "floyten": 1190
  • Provençaals: "flaustel", "flaütz", "flaütela": voor 1235
  • Engels: "flouter" (voor fluitspeler): 1225
  • Italiaans: "flaùti", "flaùto", "fiautti": 1331 en een geschrift van het eind van de 13e eeuw
  • Catalaans: "flaütes": 1328
  • Spaans: "flauta": 1400
De frequentie van het gebruik van een (nieuwe) term, de verspreiding en de periode waarin die term ontstaan is, geven waardevolle aanwijzingen voor de geschiedenis en de populariteit van in dit geval de fluit.
Maatschappelijke functie
Ik zal hier een overzicht geven.
  • Herders en jagers hadden fluiten om hun beroep mee uit te oefenen: wilde dieren vangen door ze af te leiden met mooie klanken, zodat ze niet op de bedreigingen letten die intussen van de andere kant door een collega–jager op ze afgevuurd werden.
  • Vaak werd (en wordt) de fluit gebruikt samen met andere instrumenten bij sociale gelegenheden zoals een huwelijk of een kerkinwijding.
  • En als men op reis ging, nam men het instrument meestal mee.
  • Nog een sociale of maatschappelijke rol was die in het vermaak: bij toneelgezelschappen bij dichters, zangers, vertellers, toneelspelers, goochelaars en andere amusementskunstenaars.
  • Toernooien, plechtige ontvangsten: de fluit deed mee.
  • In de 13e eeuw werd de fluit door soldaten gebruikt. Voor die tijd gebruikte men in het leger vooral hoorns en ander koper. Würzberg en Heinrich zeggen dat het geluid van fluiten de paarden aanmoedigde. Ook maakten schildwachten samen muziek met gebruikmaking van de fluit.
  • Even later kwam de combinatie van fluit en trommel in gebruik.
  • In kloosters ontwikkelde de muziek zich naast de poëzie en de beeldende kunsten.