De Dwarsfluit

complete ontwikkeling en bijzondere types

Een deel van het midden van een moderne dwarsfluit.
Een deel van het midden van een moderne dwarsfluit.

HOOFDSTUK VIER: DE BAROKFLUIT

Algemeen
De barokfluit kwam op rond 1670. De ontwikkeling maakte enkele stadia voor, totdat het de vorm kreeg van de fluit uit de klassieke periode in de tweede helft van de 18e eeuw. Het is moeilijk om expliciet te zijn over de ontwikkeling van de fluit, omdat veel informatie ontbreekt. Iconografie, bekende data van instrumentenmakers en enkele geschreven commentaren zijn, ook hier, zo ongeveer de enige bronnen. De barokfluiten díe er zijn, zijn vrijwel nooit gedateerd.

De fluit bestond uit drie of meer stukken, had één of meer kleppen en was grotendeels conisch. Dat wil in dit geval zeggen: het kopstuk en het kleinere voetstuk waren cilindrisch. De tussenstukken waren conisch, met aan de kant van het kopstuk een grotere diameter dan aan de kant van het voetstuk. Het taps toelopen van de fluit had verschillende voordelen:

  • het verbeterde de stemming of intonatie van de overgeblazen noten,
  • het verlaagde de toonladder op effectieve wijze,
  • de vingergaten zaten dichter bij elkaar.
De zes vingergaten werden door de vingers afgedekt. Het zevende gat (bijna altijd het maximum in de barok) wordt door een klep bedekt: de Dis- of Es-klep.

De uitvinding van de Dis-klep op het voetstuk, rond 1670, was een belangrijke prestatie. Het maakte het mogelijk voor de pink van de rechterhand om een hefboompje van een klep te bedienen die een gat kon openen, waar de vinger zelf niet bij kan. Er kwam een gat tussen de laatste vinger en het uiteinde van de fluit dat de dis’ produceert. Volgens Meylan echter was de klep geen nieuwe uitvinding, maar bestond die al aan het eind van de middeleeuwen bij lage instrumenten als de pommer.

Overgeleverde barokfluiten hebben een toonhoogte die variëren van A=392 tot rond A=415. Ze spreken het beste aan in de eerste twee octaven, van d’ tot d’”. De d´amore-instrumenten, die lager gestemd zijn, spelen het makkelijkst in de eerste drie octaven, omdat de boring relatief nauw is in verhouding tot de lengte van het instrument. Door de andere boring en door de klep zijn er andere vingerzettingen nodig.

De notatie is nu niet meer viervoets, maar op klinkende toonhoogte. Er wordt dus in de barok in achtvoet gespeeld. Maar Sebastian Knüpfer noteert zijn fluitmuziek in 1657 nog steeds een octaaf lager dan de klinkende hoogte.

De herkomst van de barokfluit
De fluit was blijkbaar rond 1670 ontwikkeld tot de barokfluit zoals wij die kennen. Quantz (1697-1773) beschreef in 1752 deze ontwikkeling als volgt:
The French, by addition of a key, were the first to make the instrument more serviceable than it had been previously among the Germans. The exact time when this improvement was made, and who its originator was, cannot be fixed with certainty, although I have spared no pains to discover reliable answers. In all probability the improvement was made less than a century ago; it was, no doubt, undertaken in France at the same time that the shawm developed into the oboe, and the bombard into the bassoon3.
De barokfluit ontwikkelde zich iets later dan andere blaasinstrumenten.
Het eerste voorbeeld dat we kennen van een dwarsfluit die in een barokorkest meespeelt, is het stuk Le Triomphe de l´Amour van Lully uit 1681, een ballet dat gedanst werd door koning Lodewijk XIV. Het gaat hier om een éénkleppige fluit. Ook verschijnt de barokfluit aan het einde van de 18e eeuw op afbeeldingen. De eerste gedateerde afbeelding van een barokfluit is de gegraveerde titelplaat bij Pièces en trio van Marin Marais, gepubliceerd in Parijs in 1692. De twee fluiten, afgebeeld met andere instrumenten, zijn twee éénkleppige dwarsfluiten; ze lijken op het type van Hotteterre (afb.3). (Op dit plaatje lijkt de fluit krommer dan in het boek van Solum.) Op deze bouwer wordt later ingegaan.

Eénkleppige fluit van de maker Hotteterre.
Afb.3: Fluit van de maker Hotteterre. Bron: Solum, 1992. (Museum in St. Petersburg.)

Richard Haka
In een privé-collectie in Nederland is ongeveer twintig jaar geleden een éénkleppige fluit gevonden die door Richard Haka is gemaakt (afb.4). Dit is een belangrijke ontdekking geweest in de geschiedenis van de fluit, want door het bestaan van dit instrument is het mogelijk dat de fluit zich niet in Frankrijk heeft ontwikkeld, maar in het atelier van Haka in Amsterdam. In ieder geval werd er in de barok informatie uitgewisseld tussen Hollandse en Franse pionierbouwers van houtblaasinstrumen–
ten, zo lijkt de ontdekking te zeggen.

Haka werd geboren in Londen in 1646 en stierf in Amsterdam in 1705. Hij was dus van de generatie van de vader van de beroemde Jacques Hotteterre le Romain (1674-1763). Rond 1652 verhuisde Haka met zijn ouders van Engeland naar Nederland. Hij begon houtblaasinstrumenten te bouwen in Amsterdam rond 1660. Hij bouwde ook schalmeien, hobo´s en andere instrumenten. Omdat hij zowel hobo´s als schalmeien bouwde, kan men hem zien als een brug, een overgangsfiguur, tussen de renaissance en de barok wat betreft instrumentenbouw.

De overgeleverde Haka-fluit is ongewoon laag gestemd: tussen, volgens moderne stemming, b en bes. Dit is heel erg laag, maar niet laag genoeg om een fluit d´amour te zijn. Die is namelijk gestemd in a, een kleine terts onder de concertfluit. De fluit is gemaakt van palmhout (hout van de buksboom) en bestaat uit drie delen. De fluit heeft zes gaten in het middengedeelte (het corpus) en een zevende gat met klep aan het voetstuk. De boring is conisch: het loopt van het bredere kopstuk taps toe naar het voetstuk.



Eénkleppige fluit van de maker Haka.
Afb.4: Eénkleppige fluit van Haka. Bron: Solum, 1992.

Deze fluit lijkt sterk op een fluit van Lissieu, een cilindrische fluit uit twee delen zonder kleppen (afb.5), zie hieronder:

Tweedelige fluit zonder kleppen van de maker Lissieu.
Afb.5: Tweedelige Lissieu-fluit zonder kleppen. Bron: Solum, 1992.

De lengte van de kopstukken, de plaatsen van het mondgat en de vingergaten, de "opzwelling" met tap tussen kopstuk en corpus zijn gelijk en ook de afwerking en krulling van de randen aan de uiteinden van de fluit. Wellicht kende Haka het cilindrische fluittype van Lissieu (volgens de definitie nog wel een renaissancefluit) en heeft hij zijn éénkleppige, drieledige, conische fluit erop gebaseerd.
De Hotteterre-familie
Deze Franse familie had veel muzikale leden, over meerdere generaties verspreid. Ze maakten zeer goede houtblaasinstrumenten en waren uitstekende hofmuzikanten.
    Of er in Frankrijk instrumenten waren, die een overgang vormden tussen de kleploze, cilindrische renaissancefluit en de elegant vormgegeven, driedelige, éénkleppige, conische fluit van de maker Hotteterre, is niet bekend, want er zijn er geen bewaard gebleven – op de Lissieu–fluit na. Drie fluiten met het Hotteterre–stempel zijn zeer elegant, als men kijkt naar proporties en ontwerp. Op afb.3 is één van deze drie Hotteterre–fluiten te zien. Welke voornaam er bij deze fluiten hoort, is niet zeker. Maar omdat de fluit sterk lijkt op een afbeelding uit een boek van Jacques Hotteterre, neemt men aan dat hij de bouwer is geweest.
    De drie fluiten liggen in musea in Berlijn, St. Petersburg en Graz. De verschillen zijn hieronder weergegeven in een schema. Afb.3 hoort bij de linkerkolom, mocht u willen zien waar het om gaat.

Berlijn + St. Petersburg Graz
Kopstuk: lange eindbekroning met aan het einde van het kopstuk een soort balvorm Eindbekroning is korter en minder rond
Soort symmetrische koker om het kopstuk en het corpus bij elkaar te houden Idem
Eivormig voetstuk Idem
Andere bouwers van de driedelige barokfluit
Zonder te veel in detail te treden, wil ik hier melden dat verschillende Franse bouwers het Hotteterre-model als uitgangspunt hebben genomen. De vormgeving week hier en daar een beetje af van dit model, maar de tonale kenmerken en die van de stemming bleven behouden.
    Ook in Engeland en Duitsland werden fluiten gemaakt. Noemenswaardig is Jacob Denner (1681-1735). Hij heeft niet alleen drie-, maar ook vierdelige fluiten gebouwd. Afb.6 laat een plaatje zien van één van zijn instrumenten. Het is een zeldzaam ivoren instrument. Het is interessant, omdat het twee voetstukken heeft. De ene kan tot d’, de andere tot de lage c’.

Driedelige fluit van Jacob Denner met twee voetstukken.
Afb.6: Fluit van Jacob Denner met twee voetstukken. Uit 1710 (?). Bron: Solum, 1992.

De vierdelige barokfluit
In de barok waren verschillende stemmingen gangbaar. Hiermee bedoel ik de
A= -frequentie. Deze werd op verschillende toonhoogten gestemd. Dit verschilde van stad tot stad, maar ook van dag tot dag op hetzelfde instrument. Dit was voor traverso-spelers een probleem. Het is niet handig om voor iedere stemmingshoogte een andere fluit te moeten hebben. Bij een driedelige traverso kan men het kopstuk wel uittrekken om de toonhoogte te beïnvloeden, maar dat maakt het spelen moeilijk, omdat je dan andere tonen met je embouchure moet bijsturen, hetgeen erg lastig kan worden. Rond 1722 had men hier wat op gevonden. Het corpus, waar de zes vingergaten in waren geboord, werd in tweeën gedeeld. Nu kon een fluitist het bovenste (van deze twee delen) vervangen door een ander stuk dat iets korter of langer was, waardoor de stemming gemakkelijk aangepast kon worden. De tussenzetstukken noemde men in Frankrijk corps de rechange. Ze verschilden ongeveer een halve toon. Hieronder is te zien wat een goed uitgeruste fluitist bij zich had of had kunnen hebben (afb.7).

Fluit van Johann Joachim Quantz, met corps de rechange. Dit is een deel van de fluit dat je kon vervangen door een korter of langer stuk, zodat je de stemming gemakkelijk kon aanpassen.
Afb.7: Fluit van Johann Joachim Quantz, met corps de rechange. Bron: Solum, 1992.

Gedurende vijftien of twintig jaar (of langer) zijn drie- en vierdelige traverso´s naast elkaar gebruikt.
    Bressan en Stanesby junior waren Engelse fluitenbouwers. Vooral één aspect valt op, omdat het onder barokfluiten ongebruikelijk is. Het gaat om de fitting en de tap, de twee elementen die het kopstuk en het corpus van de fluit met elkaar verbinden. Bij deze twee bouwers van houtblaasinstrumenten zien hun fluiten er als volgt uit: de tap aan het kopstuk en de fitting aan het corpus. Latere Engelse barokfluiten en die van het vaste land hebben deze twee onderdelen andersom bevestigd. (Zie afb.8.) Met de tap op het bovenste middenstuk, is een koker (zie boven bij Hotteterre) niet nodig.

Links: traverso met de fitting aan het kopstuk en de tap aan het corpus.
Rechts: traverso met de tap aan het kopstuk en de fitting aan het corpus.
Afb.8: Links: traverso met de fitting aan het kopstuk en de tap aan het corpus.
Rechts: traverso met de tap aan het kopstuk en de fitting aan het corpus.
Bron: Solum, 1992.

    Johann Joachim Quantz (1697-1773) was niet alleen hoboïst, componist en de fluitleraar van Frederik de Grote van Pruisen, ook bouwde en stemde hij fluiten. Wel waren deze bijna allemaal voor Frederik de Grote bedoeld. De overgebleven instrumenten dekken met hun corps de rechanges een bereik van A=392 tot A=415. Deze stemmingshoogten hadden blijkbaar Quantz´s voorkeur. Dit was uitzonderlijk laag voor Europese fluiten uit het midden van de 18e eeuw. De fluiten van Quantz hebben een donker, zacht laag en middenregister (deze spreken makkelijker aan, ze worden ondersteund door de bouwwijze), ten koste van het hoge register. Dit is een bewuste keuze geweest van Quantz. Eén fluit heeft zelfs een kopstuk met een boring van 20 mm – extreem wijd. Over het algemeen zijn zijn fluiten atypisch voor het midden van de 18e eeuw. Qua toonkwaliteit en stemming(shoogte) liggen ze dichter bij het ideaal van de Franse fluit uit het begin van de 18e eeuw.
Mechanisatie of ontwikkeling van het mechaniek
Quantz´s fluiten waren ook op mechanisch gebied anders dan instrumenten uit dezelfde tijd. Eén van de opmerkelijkste ontwikkelingen was een tweede klep op het voetstuk. Dit maakte het mogelijk voor de speler om onderscheid te maken tussen enharmonische noten zoals de Es en de Dis. In het grootste deel van de 18e eeuw speelde men de noot met de mol hoger dan zijn enharmonische noot met een kruis. Dus een Es klonk hoger dan een Dis.
    Quantz vond in 1726 een tweede klep uit, die met de pink van de rechterhand bediend werd. Deze klep dekt een gat af dat naast het Es-gat zit en kleiner is. Volgens hem zelf is deze vinding nooit populair geworden. Slechts enkele bouwers hebben later in de 18e eeuw ook zo´n tweede klep aan hun fluiten toegevoegd. Hij zegt nóg een uitvinding gedaan te hebben, namelijk de stemcorrectieschroef (Engels: tuning slide). Dit is een tweede tap en fitting aan het kopstuk van de fluit, maar veel dunner en langer dan de tap en fitting die het kopstuk en het corpus verbinden. Deze schuif was bedoeld om bij te stemmen bij toonverschillen die te klein waren om een corps de rechange te gebruiken. Het kopstuk kon dus verlengd of verkort worden door de schuif uit te trekken of in te duwen. Deze schuif werd aan het eind van de 18e eeuw en in de eerste helft van de 19e eeuw een standaard onderdeel van de dwarsfluit.
    Een andere door Quantz genoemde uitvinding die met het mechaniek te maken heeft, is de schroefdop en de schroefverbinding in het kopstuk om het bewegen van de kurk te vergemakkelijken. Toen de driedelige fluit zich ontwikkelde naar de vierdelige met verschillende verwisselbare middenstukken, vereiste elk vervangstuk een andere plek voor de kurk. Hoe korter en hoger van klank de fluit werd, hoe verder de kurk van het mondgat moest worden geplaatst. En andersom geldt dan natuurlijk dat hoe langer en lager klinkend de fluit werd, hoe dichter de kurk bij het mondgat zat. In het begin werd de kurk verplaatst door ertegen te duwen met een stokje of een deuvel (een woord dat wij gebruiken voor een houten verbindingspennetje voor bijvoorbeeld meubels). Met deze nieuwe uitvinding kon de fluitist eenvoudig aan de dop aan het uiteinde draaien of deze induwen. Relatief weinig barokfluiten waren hiermee uitgerust.
    De corps de rechange stimuleerden ook de uitvinding van het voetregister, een telescopisch deel aan het einde van het voetstuk. Een fluit wordt in lengte veranderd om hem hoger of lager te laten klinken, om de stemmingstoon (A=...) te wijzigen. Hiermee samenhangend moet de lengte van het voetstuk ook veranderen. Hoe lager de stemming van de fluit, hoe langer het voetstuk moest zijn. Aangezien het onhandig is om voor elk corps de rechange een bijpassend voetstuk te hebben (een lang corps met een lange voet, een kort corps met een korte voet), kwam er het beweegbare voetregister. Op afb.9 hieronder is zo´n systeem goed te zien.

Fluit van de bouwer August Grenser, met "corps de rechange" en beweegbaar voetregister.
Afb.9: Fluit van de bouwer August Grenser, met corps de rechange. Bron: Solum, 1992.

Het voetregister is hier maximaal uitgeschoven. Elke lijn die in dit voetregister is ingegraveerd, komt overeen met een nummer van een corps de rechange. Dus wanneer een wisselstuk met nummer "3" wordt gebruikt, moet het voetregister uitgeschoven worden tot de ring met "3". Opmerkelijk: Quantz vond deze vinding maar niks.
Afwijkende fluiten
Een aantal overgeleverde fluiten heeft een andere afmeting en staat in een andere toonsoort dan de standaard concertfluit. Zo zijn er flûtes d´amour, petites flûtes á l´octave en basfluiten gevonden. Er bestaat ook een F-fluit (een kleine terts hoger dan de concertfluit) en een fluit met de naam "kwartfluit". Voor deze instrumenten is weinig gecomponeerd. Er zijn twee composities bekend voor traverso d´amore. De octaaffluit (Engels: octave flute), die wij piccolo noemen, bestond ook in de barok.