Theobald Boehm (1794-1881) was ijzersmelttechnicus. (Hij spelde zijn naam zelf aanvankelijk met "ö", maar in eigen publicaties gebruikte hij steeds "oe", hetgeen nu universeel is aangenomen om verwarring te voorkomen.) In 1828 begon hij in München een eigen atelier als instrumentbouwer (van zowel fluiten als piano´s), voorheen had hij parttime in zijn vaders atelier gewerkt. Boehm bouwde de fluiten niet zelf, dat deden zijn werknemers, onder wie een broer en twee zoons. Boehm zelf hield zich bezig met verbeteringen bedenken, toezicht houden op zijn werknemers, (internationale) correspondentie onderhouden en het verhandelen van zijn producten. Hij was in München vanaf 1818 ook hofmusicus, hij was een zeer beroemd fluitvirtuoos. Ook was hij hofmusicus in Bavaria. Tevens componeerde hij veel voor zijn eigen instrument en was hij fluitleraar (hij gaf alleen les aan getalenteerde leerlingen). Bovendien schreef hij werken over zijn uitvindingen (met betrekking tot de fluit) die al dan niet gepubliceerd werden. Hij heeft veel patenten aangevraagd voor zijn fluitvindingen. Overigens heeft hij geen fluitmethode geschreven; hij vond een speciale methode voor Boehm-fluiten niet noodzakelijk. Maar wel, zoals gezegd, études en andere stukken om deze fluit te leren bespelen – en hij maakte tabellen voor trillers en vingerzettingen. Rond 1850 bracht hij in de fluitwereld een revolutie teweeg, door een heel nieuw systeem te bedenken voor de bouw van houten blaasinstrumenten. Hij ging uit van de gedachte dat akoestische principes voor de beste resonantie het belangrijkst waren, niet de "gerieflijkheid van de applicatuur" (Oling e.a.: muziekinstrumenten-encyclopedie). Eerst boog hij zich over de mensuur van de dwarsfluit, daarna pas over het mechanisme. (De mensuur is de verhouding tussen de lengte en de wijdte van de buis van in dit geval de fluit.) De toongaten waren tot dan toe nogal klein. Hij maakte ze zó breed, dat ze niet meer door een vinger konden worden afgedekt. Door middel van een systeem van hevels, assen en kleppen konden fluitisten met negen speelvingers de twaalf gaten in alle combinaties openen en sluiten. Hij introduceerde ook nog het parabolische bovenstuk en hij verbeterde het kleppensysteem. Overigens slaagde hij erin om de fluitisten niet te veel af te schrikken: het lukte hem negen barokgrepen te handhaven. Hij koos als basis de chromatische reeks van d’ tot c’”. Boehm probeerde de klankkleur en de sterkte in de eerste twee octaven homogeen te houden; het derde octaaf werd aanzienlijk zuiverder en ten slotte zorgde hij voor een sterkere klank. Een Boehm-fluit klinkt voller en ronder dan oudere fluiten.
In Frankrijk en Engeland was deze fluit snel ingeburgerd, maar in Duitsland stuitte het vernieuwde instrument op kritiek. Er werd geklaagd over het ontbreken van de karakteristieke fluitklank bij de fluiten van Boehm. Maximiliaan Schwedler ontwikkelde daarom in 1901 de "reformfluit" of Schwedlerfluit, naar een model uit 1885. Drie belangrijke verschillen tussen de Schwedler- en de Boehm-fluit, in schema weergegeven:
| Boehm | Schwedler |
| Boring: cilindrisch | Boring bleef conisch |
| Beide kleppensystemen hadden een heel eigen karakter | |
| Mondgat: ovaal | Mondgat: ovaal + aan de zijkanten ophogingen: het "reformmondstuk" |