De Dwarsfluit

complete ontwikkeling en bijzondere types

Een deel van het midden van een moderne dwarsfluit.
Een deel van het midden van een moderne dwarsfluit.

HOOFDSTUK EEN: INLEIDING

De dwarsfluit is een instrument dat in vele verschillende gedaanten bestaat. Drieduizend jaar geleden bestond de dwarsfluit al in Oost-Azië. Tot ongeveer 150 jaar geleden waren ze van hout of ivoor gemaakt. Deze hadden meestal geen kleppen, alleen vingergaten, vaak vier tot acht. In het vervolg worden deze "eenvoudige fluiten" genoemd. Iets nieuwere (of: minder oude) fluiten hebben een paar kleppen, bijvoorbeeld de barokfluit. Tegenwoordig is de Boehm-fluit gangbaar. Deze heeft een kleppensysteem dat door Theobald Boehm (1794-1881) is ontwikkeld en het instrument is van metaal, van zilver of van verzilverd metaal, maar ze kunnen ook van goud gemaakt of verguld zijn. Ook bestaan er fluiten van kristal, rosewood (palissanderhout) en koper. Fluiten van geslepen glas kwamen vooral in Parijs voor. De meest gebruikte fluit, de Boehm-fluit, wordt nu van metaal gemaakt.

Dwarsfluiten die gemaakt zijn van ongebruikelijke materialen: van koper, palissanderhout, glas en ivoor.
Afb.1: v.l.n.r.: Dwarsfluiten van koper, rosewood (palissanderhout), glas en ivoor. Bron: Geïllustreerde muziekinstrumentenencyclopedie, B.Oling en H.Wallisch, 2003.



In de verschillende muziekperioden gebruikte men, zoals hier al een beetje te lezen viel, verschillende fluiten. Daarom zal ik in de volgende hoofdstukken aandacht besteden aan de renaissance–, de barok–, de klassieke (uit de periode van de Weense klassieken) en de Boehm–fluit. Ook zal ik de oerfluit behandelen. De piccolo zal ik buiten beschouwing laten.

In Ierse fluitgroepen gebruikte men nog tot diep in de 20e eeuw eenvoudige dwarsfluiten. En waarschijnlijk zijn ze nu nog steeds wel ergens op de wereld in gebruik. Eenvoudige fluiten werden nog volop gemaakt in het laatste deel van de 19e eeuw en in de 20e eeuw in Duitsland, Engeland, Frankrijk en Amerika. Velen waren gemaakt naar het zogenoemde "Meyer–systeem" van palissanderhout of aanverwante houtsoorten met betrekkelijk grote blaasgaten, grote vingergaten en dertien kleppen.

Tegenwoordig zegt men vaak "fluit" als men "dwarsfluit" bedoelt en wordt "blokfluit" voluit genoemd. Dit is echter niet altijd zo geweest. Tot het midden van de 18e eeuw werd met "fluit" een blokfluit bedoeld, totdat de populaire dwarsfluit de tot dan toe dominante blokfluit van zijn positie stootte. Voor de dwarsfluit gebruikt men, om de dwarsfluit en de blokfluit van elkaar te onderscheiden, ook de volgende termen: flauto traverso, flûte traversière, traversa, Duitse fluit (German flute). Nu gebruiken we al deze namen door elkaar, hoewel de laatstgenoemde niet vaak voorkomt en "flauto traverso" meestal afgekort wordt tot "traverso". Deze afkorting is eigenlijk incorrect, maar het is universeel geaccepteerd en wordt ook universeel gebruikt. Als men het heeft over de "moderne fluit", spreekt men over de Boehm-fluit uit de 19e eeuw.

Met dit werkstuk hoop ik een overzicht te maken van de ontwikkeling van de fluit van het allereerste begin tot en met de Boehm-fluit. Behalve algemene veranderingen, zal ik ook enkele specifieke bouwers behandelen evenals enige aparte fluiten. Dit ter illustratie en in het licht van de grote ontwikkelingslijn van de dwarsfluit.

Tot slot van deze inleiding nog een zeer kort technisch verhaal over de dwarsfluit en de geschiedenis ervan in vogelvlucht. Dit laatste is hopelijk een kapstok voor de uitgebreide stof die zal volgen.

De dwarsfluit is het oudste blaasinstrument zonder rietblad. De luchtstroom die de speler tot stand brengt met zijn lippen, wordt tegen een scherpe rand geblazen. Daar splitst die stroom zich, zou je kunnen zeggen, wat ervoor zorgt dat de luchtkolom in de buis van de fluit in beweging wordt gebracht, waardoor er een toon ontstaat.


Dan nu, echt als laatste onderdeel van de inleiding, de geschiedenis van de fluit in vogelvlucht. Drieduizend jaar geleden had men in Oost-Azië al een dwarsfluit (zie boven). Ook in Egypte bestond het instrument al; met het verschil dat het geen mondstuk had, maar dat de fluit aan de bovenkant werd aangeblazen door het open uiteinde van de buis. In Europa werd de dwarsfluit later in gebruik genomen; dat was ten tijde van de Etrusken (Italië, ca. 8e tot ca.1e eeuw v.Chr.). Vanaf de 12e eeuw kwam de fluit in de muziek van Midden–Europa voor. Deze dwarsfluit had zeven tot veertien gaten en was toen vooral populair bij lansknechten. Rond 1660 begon de ontwikkeling van het instrument van een eenvoudige dwarsfluit tot het ingewikkelde Boehm–systeem van nu. Eerst werd er één klep toegevoegd. Later werd de boring conisch in plaats van cilindrisch. De fluit werd opgedeeld in drie stukken met een cilindrisch bovenstuk, de rest was omgekeerd conisch geboord. Toen de fluit vierdelig werd, kwamen er vervangbare middenstukken, zodat de stemming (A=...Hz) gemakkelijk aan te passen was, zonder anders te moeten blazen. Dit kon gedaan worden door gebruik te maken van middenstukken met andere lengten. Een dergelijke fluit kwam voor het eerst voor in Lully´s Le Triomphe de l´Amour uit 1672. Dit stuk zal later nogmaals genoemd worden, omdat Lully hierbij de fluit voor het eerst in een orkest liet spelen.

Er zijn geen koren van deze fluitsoort, zoals bij blokfluiten. De altfluit (een kwart lager dan de "gewone" fluit) bestaat wel, maar komt veel minder vaak voor. De basfluit is – in de dwarsfluitfamilie althans – zeer zeldzaam.

De bouw werd geavanceerder: het aantal vingergaten groeide en Theobald Boehm (1794-1881) bedacht een compleet kleppensysteem.



Twee huishoudelijke mededelingen.
De belangrijkste bron van dit werkstuk is The Early Flute van John Solum. Hierin staat erg veel over de geschiedenis en de ontwikkeling, het hoofdonderwerp van dit schrijven. Daarnaast is het boek van Raymond Meylan ook een bron van inspiratie geweest, vooral voor wat betreft de periode van vóór de renaissance. (Voor details zie bibliografie.)
Het gebruikte notatiesysteem is:

Het gebruikte notatiesysteem. De centrale c heet hier c´.