HOOFDSTUK VIJF: DE KLASSIEKE FLUIT
Algemeen
Volgens een modern inzicht is de klassieke fluit geleidelijk en bijna onmerkbaar ontstaan uit de barokfluit, net als de
muziekstijlen van deze twee perioden.
De ontwikkeling van de traverso was een weerspiegeling van de veranderingen in de muziek van de 18
e eeuw. De dichtere
(of, zo men wil, dikkere) structuur van het barokorkest
werd zogezegd omgevormd tot de lichtere, transparantere structuur van het klassieke orkest. En zo veranderden ook de donkerdere
klanken van de barokfluit in de lichtere en helderdere klanken van de klassieke fluit. De hogere stemming, de hogere
tessitura (het natuurlijke bereik van de stemming/toonhoogte of de omvang van een partij in een
compositie) en grotere flexibiliteit van het klassieke orkest werden weerspiegeld in de fluit, die ook deze kenmerken had.
De veranderingen die de fluit gedurende verschillende decennia onderging, waren zó subtiel,
dat het instrument, ontstaan in het midden van de 18e eeuw, een tijdje in twee
werelden werd gebruikt: in barok- en klassieke muziek. Wel was er een verschil. De klassieke fluiten werden over het algemeen
gestemd rond A=425 tot A=435 (hoewel er ook fluiten waren met A=415 en hoger dan A=440). Deze klassieke fluiten speelden het
makkelijkst in het tweede en derde octaaf, ten koste van de lagere noten. Makers luisterden
naar de behoeften van musici, die op hun beurt weer wilden voldoen aan de eisen van de muziek van hun tijd.
De term "klassieke fluit" betekent niet altijd een fluit met meerdere kleppen.
Eénkleppige fluiten werden gedurende de hele 18e en een deel van de 19e eeuw nog steeds gemaakt en bespeeld.
Verdere mechanisatie
Duitsland: verplaatsing van de Gis-klep
De Duitse bouwer Johann George Tromlitz (1725-1805) verplaatste de Gis–klep, die altijd al plaatsingsproblemen opleverde
vanwege de samenhang van locatie met tap en fitting, van het bovenste corpusdeel naar het onderste. Dit had verschillende
voordelen, zoals uit het schema is af te lezen:
|
Gis-klep op bovenste deel corpus
|
Gis-klep op onderste deel corpus
|
Voordelen van Gis-klep onder
|
|
Kort hefboompje met klein vingerdeel, speelt niet lekker
|
Langere hefboom/klep
|
Klep/hefboom voelen nu fijner aan, het speelt lekkerder
|
|
Klein vingergat
|
Groter gat
|
Het gat is groter
|
|
|
Tap en fitting noodzakelijkerwijs verplaatst richting blaasgat
|
Voor fluiten met corps de rechange hoeft nu niet meer op ieder afzonderlijk corps, immers het bovenste deel van het corpus, een Gis-klep gemaakt te worden,
want die zit nu op het onderste gedeelte
|
Engeland: pionier op verschillende gebieden
In Engeland waren wel goede bouwers, maar vooral vele, vele verkopers verhandelden fluiten naast andere instrumenten en
muziekpublicaties en het is niet eens zeker dat ze de fluiten zelf maakten – ook al staat hun stempel met hun naam erop.
Toch liep Engeland voorop, als het om mechanische veranderingen gaat. Een bepaalde fluit van Gedney dient als
bewijs dat hij één van de eersten is geweest, die fluiten met meerdere kleppen bouwde. Ook de Engelsman Richard Potter
(1726-1806) was zo´n pionier. In dit bestek noem ik verder alleen nog de volgende twee namen: James Wood
(bloeitijd van zijn atelier: 1799-1808), omdat hij een patent voor een stemcorrectieschroef (Engels:
tuning slide) kreeg. En
Henry Kusder, over wie weinig bekend is. Men denkt dat hij uit Duitsland kwam, maar dat is niet zeker. Hij zou de uitvinder
kunnen zijn van drie belangrijke kleppen in de geschiedenis van de dwarsfluit: de F–, de Gis– en de Bes–klep.
Hieronder een plaatje van een fluit van Caleb Gedney (Afb.10). Op de
corps de rechange zitten kleppen, naar alle
waarschijnlijkheid Gis–kleppen, een onhandigheid van de fluit die door Tromlitz zou worden verholpen
(lees: verplaatst) (zie boven).
Afb.10: Fluit van Caleb Gedney, gedateerd 1769. Deze fluit heeft corps de rechange en meerdere kleppen. Bron: Solum, 1992.
De meeste fluiten met meerdere kleppen hebben er één tot acht, een enkele heeft er negen.
Drie belangrijke nieuwe kleppen: voor de F, de G en de Bes
De F–, de G– en de Bes–kleppen (met corresponderende nieuwe gaten) verschenen naar het schijnt voor het eerst in
de jaren 1760. Deze kleppen werden met een andere reden uitgevonden dan de Dis–klep. Ze zijn ontworpen om de helderheid
van de tonen te vergroten en om de intonatie van deze noten te vergemakkelijken. Deze noten bestonden al, maar
moesten met vorkgrepen gespeeld worden. De fluitist moest de te hoge toon compenseren door bijvoorbeeld zachter te blazen of
de blaasrichting iets te wijzigen. Dit kwam de klankkwaliteit niet ten goede. Deze kleppen maakten een einde aan dit ongemak.
De Bes–klep wordt bediend door de duim van de linkerhand. Deze vinger had tot voor deze uitvinding niets
anders te doen dan het vasthouden van de fluit en kreeg er nu dus een nieuwe taak bij. De Gis–klep wordt door de
linkerpink geopend; ook deze vinger had vroeger geen functie.
De F–klep wordt bespeeld door de ringvinger van de rechterhand.
Men denkt dat deze drie kleppen zijn uitgevonden door ofwel Tromlitz ofwel Kusder.
Als we de drie kleppen vergelijken met Afb.10, zien we het volgende verschil:
-
De fluit van Gedney heeft o.a. twee extra kleppen aan het voetstuk om een c’ en een cis’ te kunnen spelen.
Deze kleppen zijn "open": als je de hefboom/klep indrukt, wordt het
gat gesloten.
-
Dit is het tegenovergestelde van de F–, de Gis– en de Bes–klep, die "gesloten" zijn, tenzij je de
klep bespeelt.
De voordelen van de vierkleppige fluit waren een lichter en sneller chromatisch spel en een sterkere en gelijkmatiger klank.
De éénkleppige fluit bleef lang het lievelingetje,
maar omdat verschillende bekwame professoren het nut van de vier kleppen onderkenden, kwam deze fluit toch sterk op.
Vier- en zeskleppige dwarsfluiten
Kusder, Gedney en Potter waren pioniers op het gebied van het maken van fluiten met vier of zes kleppen. Er zal waarschijnlijk
nooit met zekerheid gezegd kunnen worden wie de eerste was. Men denkt aan Kusder, maar bewijs is er niet.
De standaard vierkleppige fluit bestond uit de kleppen voor F, Gis, Bes en Dis. De standaard zeskleppige
fluit had deze vier kleppen met de hierboven beschreven twee kleppen op het voetstuk voor de c’ en de cis’.
Het lijkt erop dat er in Frankrijk geen meerkleppige fluiten gemaakt werden in de tijd van de Weense
klassieken. Mozart schreef zijn "concert voor fluit en harp" (KV 299)
in 1788 in Parijs voor de hertog van Guynes, die lid was van het Londense corps diplomatique. Waarschijnlijk heeft de hertog
vanuit Engeland een zeskleppige fluit van Potter of Gedney meegenomen naar Parijs.
In Engeland waren de extra kleppen in algemeen gebruik, ze waren zogezegd "ingeburgerd"
in de jaren 1780 en ´90. Maar elders in Europa was dat helemaal niet het geval.
Verschillende tabellen voor vingerzettingen die in het laatste decennium van de 18e eeuw in Parijs verschenen, waren bedoeld
voor de éénkleppige fluit. Deze tabellen waren van Devienne, Cambini en Vanderhagen – drie verschillende
niet–Engelse nationaliteiten. Dit zegt toch wel wat. In 1804 pas maakte een Franse leraar een tabel voor meerkleppige
fluiten, maar het tot c’ verlengde voetstuk werd daarbij nog niet geaccepteerd.
De éénkleppige fluit bleef nog tot halverwege de 19e eeuw in gebruik. Fluitbouwers
boden over het algemeen een selectie van fluiten te koop aan met één, vier, zes of acht
kleppen en meer. Relevant voor deze ontwikkeling is dat de vierkleppige fluit bespeeld kon worden als een
éénkleppige, als je de andere drie kleppen negeert. Wanneer de vierkleppige fluit "evolueert"
tot de zeskleppige, blijft dit gelden: je kunt het nog steeds als een fluit met één klep bespelen, behalve dat
men moet oppassen bij de Dis–klep, omdat daarvoor andere vingerzettingen nodig zijn.
Andere mechanische ontwikkelingen
Aan de zeskleppige fluit werd in de klassieke tijd een aantal nieuwe kleppen toegevoegd. Hieronder worden er enkele besproken,
die een 20
e–eeuwse speler kan tegenkomen.
De lange F–klep
De vinger van de rechterhand die de F–klep bediende, moest ook het ernaast gelegen zesde gat afdekken. Als in een
muziekstuk deze twee noten direct naast elkaar voorkwamen, moest de speler zijn vinger snel van de klep laten glijden en hem er
weer op zetten, dat was onhandig en vervelend. Tromlitz vond hier iets op. Hij bedacht een lange F–klep,
die door de linkerpink bediend moest worden. In eerste instantie was er voor de lange F–klep een apart gat nodig, dat wil
zeggen apart van het bestaande F–gat. Hij schreef hierover in 1786. In 1800 beschreef hij zijn modificatie van deze
uitvinding. Het extra F–gat verdween en de lange F–klep bediende nu rechtstreeks het korte F–gat. Deze dubbele
F–klep, die hetzelfde gat sluit als de gewone F–klep, zien we terug bij een fluit die is gemaakt door Boehm en Greve.
De lange F–klep met zijn efficiënte ontwerp had echter niet zoveel voorstanders, gezien het feit dat de meeste eenvoudige fluiten
(versus het Boehm-systeem) die hierna werden gemaakt, nog steeds twee F–gaten bleven houden.
De C-klep
Door de uitvinding van de kleppen voor F, Gis, Bes en Dis, had elke halve toon van de toonladder op de fluit zijn eigen gat,
behalve de c” (en de c’”). Het was onvermijdelijk dat ook hiervoor een eigen gat zou worden gemaakt.
Ribock vond hiervoor een klep uit, die met de linkerduim moest worden bediend. Dit was echter onpraktisch. W.H. Potter
ontwierp een c”-klep die op één lijn stond met de Gis–klep en die te bespelen was met de
linkermiddelvinger. Ook dit was geen succes. De oplossing die algemeen in gebruik genomen werd, was een lange klep, bespeeld
door de wijsvinger van de rechterhand. Omdat deze vinger het al druk had met het bedekken van het vierde gat (Fis),
was het gebruik van de C–klep beperkt. Het was ook moeilijk te gebruiken in verschillende combinaties van vingerzettingen:
de klep was niet altijd even gemakkelijk toepasbaar, afhankelijk van de vingerzetting.
Wel had de C–klep succes als trillerklep.
Tinnen kleppen en "zoutlepeltjes"-kleppen
Het grootste deel van de 18
e eeuw bestonden kleppen uit een soort steeltje die je met je vinger naar beneden duwt en een metalen
klep, bekleed met een dun laagje zacht materiaal zoals leder, om er zeker van te zijn dat het gat luchtdicht wordt afgedekt.
Voor een platte klep werd rondom het gat een getrokken toongat, een opstaande rand, gemaakt. Tegen het einde van de 18
e eeuw en
tot in de 19
e eeuw werden andere typen kleppen ontworpen. Aangezien de fluit meer kleppen kreeg, werd het noodzakelijk dat er
geen lucht zou lekken als een klep gesloten was. Eén van de eerste pogingen om een nieuw soort sluiting te bedenken
voor kleppen, kwam van de Duitser Johann Friedrich Boie (1762-1809). Zijn vinding was het vervangen van de platte klep door een
metalen afdekker, een soort kegelvormige klep, meestal van tin, die in contact kwam met het geboorde gat. Het gat zelf was
bekleed of omrand met zilver. Richard Potter had patent genomen op een soortgelijke uitvinding in 1785.
Potter–fluiten uit de 19
e eeuw hebben gewoonlijk tinnen kleppen.
Een ander soort klep die aan het begin van de 19e eeuw opdook, is de zogeheten
"zoutlepeltjes"-klep. Deze klep heeft een halfronde of kelkvorm, die sterk lijkt op de
achterkant van een zoutlepeltje. De halve bol werd gevuld met wol en bedekt met dun geitenleer.
Moderne fluitbouwers die replica´s maken, gebruiken niet meer deze twee technieken. De fluiten hebben allemaal
kieuwdekselkleppen. Maar misschien dat de neiging tot zoveel mogelijk authenticiteit, die er in de uitvoeringspraktijk is,
ook naar de bouw van fluiten overslaat.
Met metaal bedekte kopstukken
Omdat traverso´s van hout en ivoor ademvocht absorberen, heeft het kopstuk de neiging om te barsten, als men hem niet
onderhoudt, schoonmaakt of – nog erger – niet (goed) droogt. Een oplossing voor dit probleem is het kopstuk bedekken
met metaal; dat wordt immers niet aangetast door vocht. Hier werd rond het midden van de 18
e eeuw voor het
eerst mee geëxperimenteerd. Niet iedereen was een voorstander van deze nieuwigheid. Quantz vond dat de klank schel,
ruw en onaangenaam werd door het gebruik van metaal. In Engeland werd het door makers en musici al sinds 1800 of 1810 gebruikt.
Het bedekken van het kopstuk heeft drie doelen:
-
het vergroten van de helderheid en de kracht van de toon;
-
de stemschuif of stemcorrectieschroef vereiste tenminste een gedeeltelijk bedekt kopstuk, omdat hout lucht doorlaat,
waardoor stemmen anders geen zin heeft – dat kan alleen met een gesloten kop;
-
het voorkomen van barsten die ontstaan door het absorberen van vocht.
Deze doelen zullen wel bereikt zijn in de eerste jaren dat een fluit met zo´n metalen kopstuk bespeeld wordt, maar de
volgende 100 à 200 jaar eisen toch hun tol. De metalen bedekking is dan wel stijf en onbuigzaam gebleven, maar het buitenste
hout of ivoor is langzaam uitgedroogd en gekrompen. Het metaal kon niet meekrimpen, waardoor honderden en misschien wel duizenden
kopstukken zijn gebarsten. Moderne replicabouwers baseren zich op klassieke instrumenten zonder bedekte kopstukken; de
musici van nu prefereren trouwens ook de klank daarvan.
De opkomst van de romantische fluit en de invloed daarop van Charles Nicholson
Charles Nicholson (1795-1837) was een gevierd fluitist. Hij was beroemd vanwege zijn grote toon en bravourestijl. Hij kon die
grote toon maken, omdat de fluiten die hij bespeelde een groot blaasgat en grote toongaten hadden en omdat de kopstukken met
metaal bekleed waren. Nicholson heeft zijn ontwerp op de markt gebracht via verschillende bouwers (zie afb.11). Andere Engelse
fluitenbouwers volgden in het maken van fluiten met grotere gaten of ze boden op zijn minst fluiten aan met drie verschillende
maten gaten, zodat men kon kiezen. De Fransen hadden liever kleine gaten, de Duitsers gingen enigszins mee in de nieuwe Engelse
mode.
De klassieke fluit "stierf uit" toen blaas– en vingergaten werden vergroot, in een poging om steeds
"grotere tonen" te maken. De 19
e eeuw bracht de fluit van de salon naar de concertzaal. De orkestgrootte groeide snel.
Het patronaat van de kunsten was niet langer een exclusief privilege van de aristocratie en de kerk. Het revolutionaire
tijdperk bracht een breder draagvlak voor de kunsten met zich mee. Het ontwerp van de fluit moest veranderd worden, zodat er
meer geluid uit zou komen; niet alleen om beter hoorbaar te zijn in de nieuwe, grotere concertzalen, maar ook om zich staande
te houden in het steeds groter wordende orkest. Een nieuwe generatie fluitenbouwers maakte wat wij noemen de romantische fluit.
Noemenswaardig zijn twee bouwers: Claude Laurent maakte fluiten van kristal of glas. En Theobald Boehm; hij bouwde aanvankelijk nog eenvoudige fluiten
(dat is: wel met één of enkele kleppen, maar die stonden niet met elkaar in verbinding. Eenvoudige fluiten
versus Boehm–systeem), maar zou binnen enkele jaren de fluit transformeren tot een bijna geheel ander
instrument. Hij heeft de fluit zowel van binnen als van buiten flink veranderd. Het Boehm–systeem was op handen.
Afb. 11: Kleppenfluit van "Clementi & Co., London" (ca.1830) ("C.Nicholson´s Improved"). Bron: Die Boehmflöte, Karl Ventzke, 1966.