De Dwarsfluit

complete ontwikkeling en bijzondere types

Een deel van het midden van een moderne dwarsfluit.
Een deel van het midden van een moderne dwarsfluit.

HOOFDSTUK DRIE: DE RENAISSANCEFLUIT

Algemeen
De renaissancefluit is eenvoudig van bouw. Het instrument bestond uit één of twee delen en had geen kleppen. De blaasinstrumenten uit de 16e eeuw bestonden in drie grootten, in overeenstemming met drie stemtypen uit de genoteerde muziek: sopraan, tenor en bas. De vierde stem, de contratenor (die nu alt heet) was oorspronkelijk niet hoger dan de tenor, stemkruisingen kwamen dan ook regelmatig voor. De basfluit werd in g gebouwd, een kwint lager dan de tenor. De sopraan klonk een kwint hoger dan de tenor en had dus de a’ als laagste toon. Men speelde, vooral aan het begin van de 16e eeuw, vaak vierstemmige liederen met een sopraan, twee tenoren en een bas. De stukken klonken dan een octaaf hoger dan de menselijke stem. De drie fluittypen waren niet lang in gebruik. Omdat de omvang van de fluit groter was dan van andere blaasinstrumenten, kon men onder andere sopraanpartijen spelen op tenorfluiten. Dit maakte enkele fluittypen overbodig: de sopraan, want die kon door de tenor worden gespeeld en de alt, want die was even hoog als de tenor. Hiermee wordt de fluitenfamilie van de renaissance beperkt tot de tenor (d’) en de bas (g). Het gebruik van de tenorfluit voor sopraanstemmen vergrootte de mogelijkheden van het instrument. Er ontstond één instrument in plaats van een hele familie, waardoor er gunstige omstandigheden ontstonden voor verdere ontwikkeling van de fluit.

De renaissancefluit is de dwarsfluit die in gebruik was in Europa tussen 1550 en de komst van de "barokfluit" rond 1670. Het instrument heeft zes vingergaten en een mondgat en is min of meer cilindrisch van boring. De notatie is een viervoetnotatie: de muziek is een octaaf lager genoteerd dan de werkelijke klank. Informatie over deze fluit is schaars en moet uit verschillende soorten bronnen gehaald worden: iconografie, boedelbeschrijvingen, de instrumenten zelf, beschrijvingen van hoe de instrumenten gebruikt werden en uit verhandelingen over muziek. Echter men moet oppassen met de waarde van afbeeldingen, omdat ze niet altijd even precies zijn. Hoe realistisch een tafereel ook is weergegeven, de waarde voor documentatie is beperkt. Waarom dat zo is, wordt uitgebreid beschreven in De Fluit. Het voert te ver om dat hier te behandelen.

Op 15e–eeuwse afbeeldingen komt de fluit slechts zelden voor, maar op 16e–eeuw schilderijen en andere afbeeldingen komt het instrument al veel vaker voor. Deze plaatjes suggereren een tweevoudig gebruik van de fluit: als militair instrument en in kamermuziek. Het is voor ons, mensen uit (geboren in) de 20e eeuw, lastig om te ontdekken of er verschil was tussen deze twee fluiten en wat dat geweest kan zijn. Er bestaat een hypothese dat de instrumenten met wijdere boringen die in sommige gevallen nogal vreemd gestemd waren (tenminste, gebruik makend van de nog voorhanden zijnde bronnen), voor militair gebruik waren. Maar aan de andere kant: instrumenten met een smallere boring zijn makkelijker te bespelen in de hoogte (de hogere registers spreken makkelijker aan), dus deze hoge en meer doordringende tonen zijn misschien juist beter geschikt voor gebruik in het leger. Deze laatste stelling wordt bevestigd door Thoinot Arbeau, die geciteerd wordt in het boek The early flute van John Solum. De latere auteurs Praetorius en Mersenne geven aan dat voor militaire fluiten een andere vingerzetting wordt gebruikt dan bij die voor kamermuziek en dat het bereik van legerfluiten kleiner is. Meylan citeert Arbeau, die zegt dat er twee soorten van articuleren zijn; de ene is "te, te" of "tere, tere" en brengt een scherpere klank voor dan het ronde "rele, rele", hetgeen de eerste manier van articuleren veel beter geschikt maakt voor oorlogachtige klanken. De militaire fluit had meestal een bereik van een duodecime.

Omdat de documentatie van het gebruik van de fluit in kamermuziek veel beter is, zal de rest van het hoofdstuk hierover gaan.

Op plaatjes vindt men de fluit meestal in combinatie met andere instrumenten in gemengde ensembles. Slechts zelden worden alleen fluiten samen afgebeeld. Als solo–instrument komt het vooral voor op portretten of in allegorische scènes. Als we op de iconografie af gaan, lijkt het erop dat renaissancefluiten alleen in ensembles toegepast werden. Dit wordt bevestigd door verhandelingen uit die tijd. De fluit was erg populair in de renaissance, hetgeen blijkt uit het aantal dat voorkomt in boedelbeschrijvingen. Niet veel exemplaren hebben de tand des tijds doorstaan.

Het lijkt erop dat er twee afmetingen zijn (zie afbeelding 2): de tenor– en de basfluiten. Het is echter moeilijk te zeggen waar de ene grootte stopt en waar de andere begint. Enkele instrumenten zijn kleiner. Dit kan het volgende betekenen:

  • Kleinere fluiten werden in Italië minder gebruikt dan in andere landen.
  • Ze werden langzamerhand minder gebruikt.
  • Er zijn minder kleine instrumenten bewaard gebleven dan grote.


Een reeks renaissancefluiten, van hout gemaakt. Het lijkt erop dat er twee afmetingen waren: de tenor–  en de basfluiten. Het is echter moeilijk te zeggen waar de ene grootte stopt en waar de andere begint.
Afb. 2: Renaissancefluiten. Bron: The Early Flute, John Solum, 1992. Daarin staat ook de originele locatie.

Kenmerken
Puglisi heeft een groot aantal overgebleven instrumenten met elkaar vergeleken en heeft een aantal karakteristieken gevonden. Hieronder noem ik er een paar.
  • Het mondgat is meestal eivormig met de lange as over de fluit en een beetje met de klok mee gedraaid. De diameter is kleiner dan die van barokfluiten.
  • De wanden van het min of meer cilindrische instrument lopen taps toe aan de buitenkant van het mondgat.
  • Om vingerzettingen te vergemakkelijken, zijn de zes gaten opgedeeld in twee groepen van drie. De ruimte tussen de bovenste drie komt ongeveer overeen met die van de onderste drie. De speler kon dus kiezen of hij de linker- of de rechterhand het dichtst bij zijn mond wilde houden.
  • Op tenorfluiten is de afstand van het bovenste uiteinde van de fluit tot het mondgat min of meer gelijk aan de afstand tussen het laatste vingergat en het onderste uiteinde.
  • Vanwege de dunne wanden zijn de fluiten erg licht. Tenorfluiten wegen 90 tot 170 gram, afhankelijk van de hoogte (de "toonsoort" van de betreffende fluit) en het type hout.
Er was geen internationale toonhoogte waarop instrumenten gebouwd en gestemd werden. Dat verschilde van plaats tot plaats, van kerk tot kerk. Dat is, zoals hierboven al naar voren kwam, te zien aan de overgebleven instrumenten. Echter twee stemmingen zijn dominant. Een grote groep fluiten is gestemd op A=410 of in de buurt van die frequentie, een kleinere groep op of rond A=435. Deze twee toonhoogten zijn vaker aangetroffen in de overgeleverde fluitencollectie dan andere toonhoogten.

Bepaalde toonhoogten lijken toch meer heersend te zijn geweest in een bepaalde geografische plaats. In één streek bestonden vaak twee "stemmingen" naast elkaar, de ene een grote secunde hoger dan de andere. Gezien de genoemde grotere groep fluiten met A=410 en het bestaan van aanwijzingen dat strijkers de lagere stemming prettiger vonden, zal de lage stemming wel het meest gebruikelijk zijn geweest.

Het was gebruikelijk dat de notatie een octaaf hoger was dan de klank. Maar ook toen al – en nu nog steeds – was het verschil tussen notatie en klank moeilijk te begrijpen, transpositie is altijd al iets lastigs geweest. Zo heeft Agricola een verhandeling geschreven, waarin hij meldt dat de klank een octaaf lager was dan genoteerd. Men denkt dat hij bij verschillende mensen informatie heeft vergaard en er zijn eigen geheel van gemaakt heeft, zonder dat hij er verstand van had. Ook nu nog leidt de renaissancefluit en zijn transpositie tot moeilijkheden, het is nog altijd lastig te begrijpen.

Uitvoering
Hoe een muziekstuk in de renaissance moest worden uitgevoerd, stond niet of nauwelijks vast. Het hing af van welke instrumenten beschikbaar waren en van bestaande conventies. Er waren verschillende combinaties van instrumenten mogelijk, waarbij fluiten gebruikt werden.

Om te beginnen is er, wat men in het Engels noemt, een whole consort. Dit is een ensemble dat uit blazers óf strijkers bestaat, in dit geval een fluitensemble, zonder andere instrumenten. Dit was er in twee vormen:

  • Een ensemble met fluiten in drie verschillende maten. Agricola heeft hierover geschreven.
  • Een bas in g en drie tenoren in d’ (klinkende hoogte). Dit is overigens een latere vorm van ensemble–instrumentatie.
De tweede ensemblesamenstelling was geliefder en moderner.
Gaat men muziek uitvoeren met drie verschillende instrumentgrootten, dan is het verstandig om de transpositiemethode van Agricola te hanteren. (Aangezien deze nogal ingewikkeld en uitgebreid is, zal ik deze hier niet behandelen.) Speelt men het stuk op twee maten fluiten, dan is het beter in de (gebruikelijke) genoteerde mineurtoonsoorten te blijven. Dit levert minder intonatieproblemen op. Bij deze modernere instrumentatie is het belangrijk om goed te kijken naar het bereik van elke partij. De lagere partijen moeten tamelijk hoog zijn. De hoogste partij wordt meestal alleen beperkt door de capaciteiten van de speler.

Ook speelden fluiten mee in een gemengd ensemble (dus met andere instrumenten dan alleen fluit). Dit heet een broken consort. De hoogste partij werd dan vaak door een viool of een gedempte cornet uitgevoerd, de fluit speelde een middenstem (een octaaf hoger). Met name Praetorius heeft suggesties beschreven over hoe de fluit het beste benut kon worden op deze manier in grote, vaak meerkorige, kerkmuziek. Eén speciale vorm van dit gemengde consort trof men vooral in Engeland aan, waar de fluit werd vergezeld van een viool, luit, cittern of cister (een peervormig luitinstrument met platte achterkant), mandola (sinds de 13e eeuw een kleine luit met een variërend aantal dubbele snaren) of bandola (soort luit; Spaans tokkelinstrument met zes dubbele snaren) en basgamba. Ook hier speelde de fluit een middenstem, meestal de altpartij. Hoewel het de moderne musicus tegen de borst stuit dat er een tweede partij is die boven de melodie uit klinkt, mag men dit niet zonder meer afwijzen. Ervaring wijst uit, dat door deze manier van uitvoeren (de tweede partij een octaaf hoger dan de melodie) andere aspecten van de composities naar boven komen, die anders misschien niet zouden worden gehoord. Het stelt echter ook heel andere eisen aan de fluitist.

Stijl
In bronnen over de fluit is weinig over stijl te vinden. Men zal het moeten zoeken in algemenere, vocale en instrumentale verhandelingen. In de renaissance is de stem het ideale "instrument", de voorkeur gaat uit naar het cultiveren van een "zangstijl". (Of misschien beter: een zangerige stijl.) Er zijn geen andere bronnen dan theoretische verhandelingen en de muziek zelf. Daaruit zal men alles moeten afleiden. Twee stijlaspecten zijn voor de fluitist speciaal van belang: articulatie en de kunst van het diminueren. (Diminueren is Latijn voor verkleinen. In de 16e eeuw is dit de kunst van het al improviserende versieren van een melodie door kleinere notenwaarden.)

In de renaissance probeerden musici hun instrumenten net zo helder te laten klinken als een stem die spreekt of zingt. Er waren speciale articulaties voor blaasinstrumenten om dit te bevorderen. Elke letter, ook de allersnelste, kreeg zijn eigen lettergreep. Net als bij het spreken zorgden sommige lettergrepen voor nadruk, waar dat bij de stem ook zou klinken. Dit bevorderde de natuurlijke klank. Elke vorm van muzikale beweging had een bepaalde lettergrepencombinatie die daar het beste bij paste.

Gedurende de 16e eeuw begonnen instrumentalisten, die hiermee de vocalisten nadeden, versieringen bij hun partijen te improviseren. Hiervoor moest een musicus erg virtuoos zijn. Er zijn zelfs handboeken over geschreven. Deze waren algemeen van aard, niet toegespitst op een bepaald instrument. Ze zijn een handboek over hoe te improviseren in deze stijl. Geïmproviseerde versieringen waren een integraal deel van de uitvoeringspraktijk in de renaissance en dient dus ook te worden beoefend wanneer men muziek en instrumenten uit deze periode (be)speelt.

Een bijzonder idee
Mersenne (1636) stelde voor om in de buis van de fluit drie verschillende rijen gaten te boren, zodat men de drie Griekse toongeslachten met onderverdelingen in kwarttonen kon spelen: de diatonische, de chromatische en de enharmonische. Een systeem van schuifjes zou het dan mogelijk maken één van de drie toongeslachten te kiezen.