De renaissancefluit is de dwarsfluit die in gebruik was in Europa tussen 1550 en de komst van de "barokfluit" rond 1670. Het instrument heeft zes vingergaten en een mondgat en is min of meer cilindrisch van boring. De notatie is een viervoetnotatie: de muziek is een octaaf lager genoteerd dan de werkelijke klank. Informatie over deze fluit is schaars en moet uit verschillende soorten bronnen gehaald worden: iconografie, boedelbeschrijvingen, de instrumenten zelf, beschrijvingen van hoe de instrumenten gebruikt werden en uit verhandelingen over muziek. Echter men moet oppassen met de waarde van afbeeldingen, omdat ze niet altijd even precies zijn. Hoe realistisch een tafereel ook is weergegeven, de waarde voor documentatie is beperkt. Waarom dat zo is, wordt uitgebreid beschreven in De Fluit. Het voert te ver om dat hier te behandelen.
Op 15e–eeuwse afbeeldingen komt de fluit slechts zelden voor, maar op 16e–eeuw schilderijen en andere afbeeldingen komt het instrument al veel vaker voor. Deze plaatjes suggereren een tweevoudig gebruik van de fluit: als militair instrument en in kamermuziek. Het is voor ons, mensen uit (geboren in) de 20e eeuw, lastig om te ontdekken of er verschil was tussen deze twee fluiten en wat dat geweest kan zijn. Er bestaat een hypothese dat de instrumenten met wijdere boringen die in sommige gevallen nogal vreemd gestemd waren (tenminste, gebruik makend van de nog voorhanden zijnde bronnen), voor militair gebruik waren. Maar aan de andere kant: instrumenten met een smallere boring zijn makkelijker te bespelen in de hoogte (de hogere registers spreken makkelijker aan), dus deze hoge en meer doordringende tonen zijn misschien juist beter geschikt voor gebruik in het leger. Deze laatste stelling wordt bevestigd door Thoinot Arbeau, die geciteerd wordt in het boek The early flute van John Solum. De latere auteurs Praetorius en Mersenne geven aan dat voor militaire fluiten een andere vingerzetting wordt gebruikt dan bij die voor kamermuziek en dat het bereik van legerfluiten kleiner is. Meylan citeert Arbeau, die zegt dat er twee soorten van articuleren zijn; de ene is "te, te" of "tere, tere" en brengt een scherpere klank voor dan het ronde "rele, rele", hetgeen de eerste manier van articuleren veel beter geschikt maakt voor oorlogachtige klanken. De militaire fluit had meestal een bereik van een duodecime.
Omdat de documentatie van het gebruik van de fluit in kamermuziek veel beter is, zal de rest van het hoofdstuk hierover gaan.
Op plaatjes vindt men de fluit meestal in combinatie met andere instrumenten in gemengde ensembles. Slechts zelden worden alleen fluiten samen afgebeeld. Als solo–instrument komt het vooral voor op portretten of in allegorische scènes. Als we op de iconografie af gaan, lijkt het erop dat renaissancefluiten alleen in ensembles toegepast werden. Dit wordt bevestigd door verhandelingen uit die tijd. De fluit was erg populair in de renaissance, hetgeen blijkt uit het aantal dat voorkomt in boedelbeschrijvingen. Niet veel exemplaren hebben de tand des tijds doorstaan.
Het lijkt erop dat er twee afmetingen zijn (zie afbeelding 2): de tenor– en de basfluiten. Het is echter moeilijk te zeggen waar de ene grootte stopt en waar de andere begint. Enkele instrumenten zijn kleiner. Dit kan het volgende betekenen:
Bepaalde toonhoogten lijken toch meer heersend te zijn geweest in een bepaalde geografische plaats. In één streek bestonden vaak twee "stemmingen" naast elkaar, de ene een grote secunde hoger dan de andere. Gezien de genoemde grotere groep fluiten met A=410 en het bestaan van aanwijzingen dat strijkers de lagere stemming prettiger vonden, zal de lage stemming wel het meest gebruikelijk zijn geweest.
Het was gebruikelijk dat de notatie een octaaf hoger was dan de klank. Maar ook toen al – en nu nog steeds – was het verschil tussen notatie en klank moeilijk te begrijpen, transpositie is altijd al iets lastigs geweest. Zo heeft Agricola een verhandeling geschreven, waarin hij meldt dat de klank een octaaf lager was dan genoteerd. Men denkt dat hij bij verschillende mensen informatie heeft vergaard en er zijn eigen geheel van gemaakt heeft, zonder dat hij er verstand van had. Ook nu nog leidt de renaissancefluit en zijn transpositie tot moeilijkheden, het is nog altijd lastig te begrijpen.
Om te beginnen is er, wat men in het Engels noemt, een whole consort. Dit is een ensemble dat uit blazers óf strijkers bestaat, in dit geval een fluitensemble, zonder andere instrumenten. Dit was er in twee vormen:
Ook speelden fluiten mee in een gemengd ensemble (dus met andere instrumenten dan alleen fluit). Dit heet een broken consort. De hoogste partij werd dan vaak door een viool of een gedempte cornet uitgevoerd, de fluit speelde een middenstem (een octaaf hoger). Met name Praetorius heeft suggesties beschreven over hoe de fluit het beste benut kon worden op deze manier in grote, vaak meerkorige, kerkmuziek. Eén speciale vorm van dit gemengde consort trof men vooral in Engeland aan, waar de fluit werd vergezeld van een viool, luit, cittern of cister (een peervormig luitinstrument met platte achterkant), mandola (sinds de 13e eeuw een kleine luit met een variërend aantal dubbele snaren) of bandola (soort luit; Spaans tokkelinstrument met zes dubbele snaren) en basgamba. Ook hier speelde de fluit een middenstem, meestal de altpartij. Hoewel het de moderne musicus tegen de borst stuit dat er een tweede partij is die boven de melodie uit klinkt, mag men dit niet zonder meer afwijzen. Ervaring wijst uit, dat door deze manier van uitvoeren (de tweede partij een octaaf hoger dan de melodie) andere aspecten van de composities naar boven komen, die anders misschien niet zouden worden gehoord. Het stelt echter ook heel andere eisen aan de fluitist.
In de renaissance probeerden musici hun instrumenten net zo helder te laten klinken als een stem die spreekt of zingt. Er waren speciale articulaties voor blaasinstrumenten om dit te bevorderen. Elke letter, ook de allersnelste, kreeg zijn eigen lettergreep. Net als bij het spreken zorgden sommige lettergrepen voor nadruk, waar dat bij de stem ook zou klinken. Dit bevorderde de natuurlijke klank. Elke vorm van muzikale beweging had een bepaalde lettergrepencombinatie die daar het beste bij paste.
Gedurende de 16e eeuw begonnen instrumentalisten, die hiermee de vocalisten nadeden, versieringen bij hun partijen te improviseren. Hiervoor moest een musicus erg virtuoos zijn. Er zijn zelfs handboeken over geschreven. Deze waren algemeen van aard, niet toegespitst op een bepaald instrument. Ze zijn een handboek over hoe te improviseren in deze stijl. Geïmproviseerde versieringen waren een integraal deel van de uitvoeringspraktijk in de renaissance en dient dus ook te worden beoefend wanneer men muziek en instrumenten uit deze periode (be)speelt.